instituut hoogbegaafdheid volwassenen

Recensie “Het IQ en de intelligentie” door Kirsten Copier

Klinisch psycholoog en psychotherapeut Kirsten Copier schreef opnieuw voor ons een recensie. Deze keer van het boek “Het IQ en de intelligentie” van Martine Delfos.

Over onze recensies

Titel: Het IQ en de intelligentie
Auteurs: Martine Delfos
ISBN: 9789085600770
Uitgeverij: SWP

Beschrijving van het boek

Dit boek is onderdeel van de PICOWO-serie, wetenschappelijke onderzoeken met theorieën en modellen ontwikkeld vanuit het Psychologisch Instituut voor Consultatie, Onderwijs en Wetenschappelijk Onderzoek (PICOWO). Het boek behandelt het ontstaan van de onderzoeken naar intelligentie en hoe deze zich van hieruit ontwikkeld hebben.

Het boek bestaat uit 11 hoofdstukken. Na een voorwoord en inleiding wordt in hoofdstuk 1 de grondlegger van intelligentietests, Alfred Binet, geïntroduceerd. In hoofdstuk 2 wordt het verschil tussen normaal en abnormaal uitgelegd. Hierna wordt in hoofdstuk 3 besproken welke kronkel er zit in de intelligentietest. Hoofdstuk 4 richt zich op de verdere ontwikkeling van de intelligentietest. Hoofdstuk 5 geeft een verklaring waarom een IQ-test als maat voor het vaststellen van intelligentie wordt gezien. Hoofdstuk 6 gaat over de moderne intelligentietest. Het Flynn-effect wordt uitgelegd in hoofdstuk 7. Hoofdstuk 8 richt zich op de DSM en het IQ. In hoofdstuk 9 wordt de aandacht gelegd op het testen van het leerpotentieel. Hoofdstuk 10 gaat over autisme en het IQ. Hoofdstuk 11 bevat de epiloog. In de bijlage wordt een uitgebreide casus beschreven die het in de voorgaande hoofdstukken beschrevene illustreert.

Bespreking

Het boek neemt je als lezer mee terug in de tijd, naar de oorsprong en ontwikkeling van de intelligentietest en de fundamenten die hieraan ten grondslag liggen. Het boek is toegankelijk geschreven, ook zonder wetenschappelijke achtergrond kun je goed volgen wat beschreven en uitgelegd wordt. Aan het einde van elk hoofdstuk staat een samenvatting met te leren lessen van dat hoofdstuk.

Het is fascinerend om te lezen hoe helder en actueel de uitgangspunten en gedachten met betrekking tot het meten van intelligentie destijds al waren. De ideeën over intelligentie blijken destijds genuanceerder dan nu wel eens lijkt. De nadruk lag op natuurlijke intelligentie, los van achtergrond of opleiding. De eerste intelligentietest had als doel het de intellectuele toestand op dat moment te meten, niet wat de oorzaak ervan is. Intelligentie werd aanvankelijk opgevat als veelzijdig en kwalitatief, maar is verworden tot de idee dat het een enkele kwantificeerbare entiteit betreft (blz. 44). De focus is verschoven van het individu naar het testen en daarmee vergelijken van grote groepen. Op basis van de idee dat je intelligentie met een test kunt meten worden vergaande conclusies getrokken. Een van die conclusies is dat meisjes intelligenter zouden zijn dan jongens. In het boek wordt duidelijk dat je dit wel op basis van deze test kan zeggen, maar daarmee voorbijgaat aan een aantal essentiële zaken die weer terug te leiden zijn tot het oorspronkelijke uitgangspunt van de intelligentietest. Het is best schokkend om te lezen dat er een eeuw aan bewijs uit onderzoek is die laat zien dat intelligentie van een persoon niet met een IQ-test gemeten kan worden, maar dit wel de dagelijkse praktijk is. Wat gemeten kan worden is het intelligentiegedrag van personen onder zeer bepaalde omstandigheden (blz. 62/63). Het is een momentopname.

Er is geen consensus over het concept ‘intelligentie’. Wel is helder dat een culturele context nodig is om intelligentie te begrijpen. Het Flynn-effect wordt in het boek uitgelegd en gerelateerd aan de insteek van Binet over intelligentie. Daarmee wordt een onderliggende hypothese gegeven om dit effect te begrijpen. Er wordt een schets van de ontwikkeling van de verschillende versies van de DSM (Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders) in het gebruik van IQ-scores gegeven. Hierbij ligt de nadruk op het classificeren van mensen met een score die beneden gemiddeld en lager ligt. Bovengemiddelde en hogere scores worden in de DSM niet geclassificeerd.

De auteur heeft expertise op meerdere terreinen en zowel met betrekking tot kinderen als volwassenen. In dit boek heeft ze het alleen over kinderen en met name over kinderen met kenmerken van autisme/ in het autisme spectrum. Voor de boodschap van het boek en de implicaties voor het werken met volwassenen is dat overigens geen bezwaar.
Er wordt een uitgebreide uitleg gegeven over wat zij noemt ‘dynamisch testen’, wat betekent dat de omstandigheden waaronder getest wordt voor een kind gunstig worden gemaakt. Hierdoor is het mogelijk het leerpotentieel te vinden en niet alleen wat een kind kan onder specifieke voorwaarden. Daarbij gaat het niet zozeer om meten maar om het onderzoeken van leer- en ontwikkelmogelijkheden. De leerbaarheid wordt onderzocht en in kaart gebracht. In tegenstelling tot bij reguliere intelligentietests worden bij dynamisch testen de omstandigheden gunstig maakt door steun en uitleg te bieden. Het volgende hoofdstuk, over autisme en IQ, geeft stof tot nadenken. Er wordt een duidelijke uitleg gegeven over een aantal misvattingen over autisme, ook met betrekking tot de combinatie met intelligentie. Een belangrijke misvatting, dat mensen met autisme een zwakkere verwerkingssnelheid zouden hebben, wordt door de auteur ontkracht en ze geeft een alternatief model voor hoe zij denkt dat ASS verklaard kan worden.

In de epiloog laat de auteur duidelijk merken wat zij vindt van de huidige stand van zaken met betrekking tot het meten van intelligentie en wat daar voor zekerheden aan verbonden worden. Dit wordt verder onderbouwd aan de hand van de zeer schrijnende casus die beschreven wordt. In dit boek ligt de nadruk op intelligentie en wordt er niet over hoogbegaafdheid gesproken. Het is een zeer interessant boek en naar mijn idee een zeer sterke aanrader voor iedereen die werkt met cliënten die getest zijn of worden.

Wanneer ik dit boek relateer aan het onderwerp hoogbegaafdheid denk ik direct aan de veelheid van definities van hoogbegaafdheid en het gebrek aan een eensluidende definitie. Een belangrijke factor in alle definities is de hoge intelligentie. Deze wordt vaak aan een getal gekoppeld, een IQ van 130 en hoger. Het roept de vraag op wat een dergelijk getal zegt over hoogbegaafdheid. Ik zou benieuwd zijn wat het zou betekenen als iemands leerpotentieel leidend zou zijn. Wat zou dat zeggen over hoogbegaafdheid? Wat betekent dat voor onderpresteerders? Iemands leerpotentieel is niet altijd ontwikkeld en zoals in een eerder hoofdstuk gezegd werd, kan dit ervoor zorgen dat iemand echt verkeerd ingeschat wordt en bijvoorbeeld zelfs als zwakbegaafd wordt geclassificeerd, maar dat niet is. Het kan dan wel vérstrekkende gevolgen hebben. Ik vermoed dat veel van ons niet heel ver hoeven te zoeken om hier voorbeelden van te vinden. Het roept ook de vraag op hoe hier in het onderwijs mee omgegaan wordt, welke kinderen komen in de plusklas? Zijn dat de kinderen bij wie het leerpotentieel goed tot zijn recht komt?

Dit boek onderschrijft dat het heel belangrijk is om je als hulpverlener of onderzoeker niet te snel en te veel te focussen op metingen uit onderzoek en al helemaal niet als de resultaten niet recent zijn. Hoewel het begrijpelijk is om in scores op testen houvast te zoeken, blijkt dat een valkuil. Het is maar al te bekend dat je je leven lang een ooit gestelde classificatie met je mee kan dragen, omdat deze bijvoorbeeld steeds in je dossier wordt overgedragen en/of omdat je als cliënt zelf je hiermee geïdentificeerd hebt. Als je je er juist niet in kunt vinden, ben je er vaak ook nog niet zo vanaf.

Voor wie is dit boek aan te raden?
Dit boek is aan te raden voor iedereen die meer wil weten over het onderwerp intelligentie en IQ. Cliënten in de ggz die getest (willen) worden kunnen door dit boek beter plaatsen wat de waarde ervan is. In mijn praktijk, waar ik vooral hoogbegaafden zie, is het vaak een dilemma om je te laten testen. Dit komt deels door de (onterechte) angst om door de mand te vallen. Maar dit boek onderschrijft dat een IQ-test niet per se laat zien hoe intelligent iemand is, maar wat iemand op dat moment kan laten zien. Angst, twijfel of zoiets als een hoog streefniveau waardoor de snelheid omlaaggaat kunnen de uitslag beïnvloeden. Voor hulpverleners is dit boek belangrijk en interessant door de boodschap dat er niet te veel of te lang waarde moet worden gehecht aan een score en dat heel duidelijk meegewogen moet worden hoe het toestandsbeeld van de geteste cliënt is of was op het moment van testen. Voor naasten is het interessant omdat het boek helpt om te begrijpen wat een dergelijke test aangeeft over hun naaste.

Voor hulpverleners wil ik het belang om dit boek te lezen extra benadrukken, we zijn gewend geraakt aan de ogenschijnlijke betrouwbaarheid van een IQ-score en de zwaarwegende gevolgen hiervan. Uit de praktijk weet ik dat, met de informatie uit boek in gedachten, de testen niet altijd op een goed moment worden ingezet. Het zou goed zijn om dit boek als een eerste voorzet te zien om de discussie over intelligentie en IQ en de implicaties binnen het werkveld op gang te brengen.

De auteur, zo is te lezen op haar website, is biopsycholoog met een lange ervaring in zowel de praktijk als onderzoek. Vanuit de combinatie van een researchopleiding en een therapeutische praktijkervaring begon ze haar kennis om te zetten in biopsychologische modellen. Daarbij worden verschillende wetenschapsgebieden betrokken met name psychologie, geneeskunde biologie, chemie, en wiskunde. Ze hecht belang aan een verbintenis tussen wetenschap en praktijk. Zij heeft PICOWO in 1997 opgericht.

Kirsten Copier
Klinisch psycholoog / psychotherapeut
Eigenaar psychologiepraktijk De Vrije Denker
https://devrijedenker.nl/